Dominee Breen

publicatie + + + + +

Voor De Nieuwe Koers maakte ik een interview met de gereformeerd-vrijgemaakte dominee Breen en twee van zijn kinderen. Hieronder kun je het begin van het artikel lezen.

Hij is de vleesgeworden kerkgeschiedenis: de 88-jarige C.J. (Chris) Breen, emeritus-predikant in de vrijgemaakt-gereformeerde kerk. Op een dinsdag in augustus zwaait hij de deur open van zijn woning in Drachten. Op de brievenbus prijkt een sticker van het Nederlands Dagblad, nog altijd het lijfblad van de vrijgemaakten. De heer Breen is door de jaren heen wat krommer geworden, hij moet lezen met een vergrootglas en legt soms zijn hand achter zijn oorschelp om zijn bezoek goed te verstaan, maar hij beweegt zich nog soepel en snel door zijn huis. We nemen plaats aan een tafel in de keuken, waar hij zonder omwegen van wal steekt.

De afspraak was om te praten over zijn geloof en zijn ervaringen in de kerk. In het geval van Breen betekent dit dat je bedolven wordt onder een lawine aan belangrijke synodes (de synode van 1940 in Utrecht, de eerste officiële synode van de vrijgemaakt-gereformeerde kerk in 1946, de synode van Hoogeveen in 1969), namen van gereformeerde professoren en dominees (Vollenhoven, Schilder, Greijdanus, Geelkerken, Deddens, Van der Ziel, Boersema) en letterlijke citaten uit polemische brieven, besluiten van kerkvergaderingen en natuurlijk de Bijbel. Hij mag op leeftijd zijn, maar Breen heeft een nog fabelachtig geheugen. Bovendien preekt hij nog altijd: dit jaar viert hij in Amsterdam zijn zestigjarig ambtsjubileum.

Breen, geboren in december 1924, is gestempeld door de ‘vrijmaking’ van 1944. In dat jaar maakte onder leiding van onder meer professor Klaas Schilder een deel van de gereformeerde kerk zich los. De reden was een synodaal leerbesluit over de kinderdoop. Pijnlijk punt was de leer van de ‘veronderstelde wedergeboorte’ van Abraham Kuyper:  wat als iemand wel gedoopt wordt, maar zich later in het leven van het geloof afkeert? Dan was die persoon toch niet ‘wedergeboren’ op de dag dat er water werd gesprenkeld over diens babyhoofdje. Bladzijde 24 van een pre-advies van een in 1942 speciaal benoemde commissie opende Breen de ogen, zo weet hij nog precies. “Daarin stond: ‘de doop van mensen die later blijken niet uitverkoren te zijn is niet ten volle als doop te beschouwen.’ Toen zagen we wat er echt achter zat: het ging over de betrouwbaarheid van Gods woord en God zelf. Als God in iedere doopbediening zegt: ‘Ik doop je in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’, dan zou dat voor de niet-uitverkorene geen echte belofte zijn en voor de ander wel. Wat heb je dan aan die woorden Gods als ze een tweeërlei betekenis hebben? Dat is de drang geweest dat mensen zeiden: dat kan niet.”

Op 11 augustus 1944 reisde de jonge Breen met de trein van Amsterdam naar Den Haag. Daar werd een beslissende vergadering gehouden. ,,Het was een heel warme dag en het was ook niet ongevaarlijk. De trein van Amsterdam naar Den Haag stond meermalen stil, omdat er een beschieting dreigde. Dat had je in die oorlogstijd.” Op de kansel stond professor Schilder, die kort daarvoor nog ondergedoken zat omdat hij gezocht werd vanwege ‘anti-Duitse propaganda’. Maar nu las hij in de Lutherse kerk op de Lutherse Burgwal de Akte van Vrijmaking of Wederkeer voor. Schilder was een bijzonder inspirerende man, vond Breen: ,,Omdat je voelde: hier is de majesteit en grootheid van het Woord van God. Dat heeft op mij altijd diepe indruk gemaakt. Ja, je mag het niet vergelijken met de Heere Jezus, van wie werd gezegd: Hij sprak als machthebbende, niet als schriftgeleerde. Maar iets daarvan voelde ik ook bij Schilder. Het kwam met: ‘Zó zegt de Heere…!’ Ja, profétisch. Dat heeft hij op zijn colleges ook tegen ons gezegd: ‘Mensen, wees alsjeblieft voorzichtig dat je in je preek niet allerlei theorieën behandelt, maar preek wárm: zonde, genade, en het genadebloed van Christus.”