In Tegenlicht (aflevering van 28 november 2021) gaat het over de toekomst van Afghanistan, en dus ook over de Afghaanse vrouwen. Maar als we praten over hun lot, vergeten we al snel dat zij pionnen zijn in een veel groter belangenspel.

Na bijna twintig jaar in Afghanistan vertrok afgelopen augustus de laatste Amerikaanse soldaat uit het geplaagde Centraal-Aziatische land. De wereld had daarna nog niet met de ogen geknipperd of de Taliban hadden de hoofstad Kabul alweer in handen. Zonder een schot te lossen.

Wie zich sindsdien afvraagt hoe het onder de Taliban verder moet met de Afghaanse vrouwen is een empathisch mens. Maar ook politiek naïef en geschiedkundig slecht onderlegd. Al sinds minstens het begin van de twintigste eeuw vormen de Afghaanse vrouwen een symbolisch strijdveld: ze zijn pionnen waarom gevochten wordt tussen, vaak buitenlandse, partijen die Afghanistan willen moderniseren en tegenbewegingen die zich verzetten tegen die in hun ogen perverse invloed uit het Westen.

Maar even vaak zijn de rechten van de Afghaanse vrouwen niet meer dan een façade voor andere belangen. Wie dat ongetwijfeld goed weet, is de Afghaanse activiste Mahbouba Serja, één van de mensen die aan het woord komt in de komende aflevering van Tegenlicht over haar land.

Om het historische lot van de Afghaanse vrouw beter te snappen, is het goed om terug te reizen naar het Afghanistan van de jaren zeventig en tachtig. Het voormalig koninkrijk Afghanistan is juist veranderd in een republiek, waarvan de marxistische regering het bestuur van het altijd zo decentraal geregeerde land moderniseert, evenals meer ruimte wil geven aan het vrouwelijk deel van de bevolking. Vrouwen gaan en masse naar school. Er worden alfabetiseringscampagnes uitgerold. De minimale leeftijd om te mogen trouwen wordt vastgesteld op zestien jaar. Vrouwen komen in het parlement en de regering, vormen een flink deel van het bestand aan dokters en docenten, maken deel uit van de politiekorpsen, en beginnen zelfs het aantal mannelijke studenten te overvleugelen.

Maar deze emancipatie van de vrouw gaat een groot deel van de Afghanen te rap. Bovendien is de regering nogal dwingend: het wordt de vrouwen zelfs op straffe van boete verboden een sluier te dragen. Onder andere hierom ontstaat eind jaren zeventig een gewapende revolte, een opstand die elders in de wereld nauwlettend wordt gadegeslagen.

In het Witte Huis zit president Carter. Hij maakt zich zorgen. Begin 1979 is de bevriende regering van Iran omver geworpen door een islamitische revolutie, aangevuurd door de islamitische geestelijke Khomeini. Tegelijkertijd zijn de VS toenemend afhankelijk van de import van olie uit de Perzische Golf, wat maar al te duidelijk bleek toen de tekorten opliepen tijdens de twee oliecrises van 1973 en 1979. Carter vreest dat de Sovjet-Unie meer invloed krijgt in het olierijke gebied, misschien wel met Afghanistan als springplank naar de Indiase Oceaan en de Golf van Oman. Nu al steunt de Sovjet-regering van Brezjnev de Afghaanse regering.

Carter besluit daarom halverwege 1979 de Afghaanse opstandelingen via de CIA te steunen met niet-militaire hulp. Vijf maand later echter valt de Sovjet-Unie zijn zuiderbuur binnen, onder meer om de bevriende regering te helpen in het gevecht met de ‘heilige strijders’ (mujahideen). Of zoals de Amerikaanse president ze noemt: de ‘vrijheidsstrijders’.

Al twee week na de Sovjet-inval, begin januari 1980, komt een eerste schip vol wapens aan in de Pakistaanse havenstad Karachi. Uit angst dat de Sovjet-Unie zullen doorstoten naar de Perzische Golf (zoals Carter dat jaar expliciet zegt tijdens zijn State of the Union-toespraak), tuigen de Amerikanen een geheim CIA-programma op: grootse wapenleveranties aan in totaal zeven opstandelingengroepen. Wie dat zijn, maakt niet uit. Als ze maar effectief zijn in het laten bloeden van de Sovjet-troepen. Ook een mujahideen-leider als Gulbuddin Hekmatyar krijgt zijn luchtdoelraketten, al verzet hij zich tegen de vrouwenemancipatie en gooiden zijn volgers zuur in het gezicht van ongesluierde vrouwen.

Carters veiligheidschef Brzezinski had al in 1979 laten weten dat hij de Sovjet-Unie z’n eigen ‘Vietnam’ wil geven. CIA-topman Charles Cogan wil de Sovjets straffen voor hun steun aan de Noord-Vietnamese troepen. Achter de politieke schermen zijn dat belangrijkere overwegingen dan meelij met de Afghaanse vrouw. Om de Amerikaanse wapenhulp te verhullen, laat de VS met opzet wapens van Sovjet-makelij uit Egypte overkomen. Ook Israël heeft later nog een voorraad Sovjet-wapens over, buitgemaakt tijdens de Israëlische inval in 1982 in Libanon. De geheime diensten van Pakistan en Saoedi-Arabië helpen mee. China wordt bereid gevonden flink mee te betalen. Groot-Brittannië is van de partij. De Saoedi’s mogen hun streng-islamitische ‘wahabisme’ aan de man brengen in de Afghaanse vluchtelingenkampen in noordwest-Pakistan.

Het is eind 1989: de Sovjets trekken zich terug. De communistische heilstaat wankelt op zijn laatste benen en valt twee jaar later om. De Koude Oorlog is voorbij. De VS bevrijdt in 1991 het oliestaatje Koeweit, waar de vrouwelijke inwoners niet mogen stemmen, van een Iraakse inval. Aan de heropbouw van Afghanistan wordt niet gedacht. In het nu door de wijde wereld vergeten land perkt de nieuwe regering de bewegingsvrijheid van vrouwen in. De even getraumatiseerde als goed bewapende Afghaanse mannen staan elkaar naar het leven in een burgeroorlog. Een belangrijk wapen zijn verkrachtingscampagnes, om de tegenstander te demoraliseren. Dat lukt goed in een land als Afghanistan, waar de seksuele integriteit van de vrouw van oudsher heilig is.

Om een einde te maken aan die wetteloosheid, onder andere aan de verkrachtingen, vormen zich de Taliban. Na vier jaar burgeroorlog nemen de Taliban Kabul in. Zelfs in de hoofdstad zijn de vrouwen blij met de komst van de uit de landelijke gebieden afkomstige strijders, want de vrouwen gingen gebukt onder de terreur van de Noordelijke Alliantie. Deze alliantie was een samenwerking van warlords, onder wie Abdul Rashid Dostum, die openlijk opschepte over de verkrachtingen.

Maar dan breekt 11 september 2001 aan. De VS valt Afghanistan binnen, omdat Osama bin Laden niet uitgeleverd wordt. Laura Bush, vrouw van de Amerikaanse president, zegt in een toespraak dat de strijd tegen het terrorisme ook een strijd is voor de rechten van vrouwen. Cherie Blair, vrouw van de Britse premier, benadrukt dat Afghaanse vrouwen dezelfde keuzevrijheid moeten hebben als vrouwen elders in de wereld.

Andere stemmen krijgen minder weerklank. Rond dezelfde tijd vraagt de Afghaanse activiste Tahmeena Faryal in het Amerikaanse Congres vergeefs om alsjeblieft niet samen te werken met de Noordelijke Alliantie, waaronder de vrouwen zoveel te lijden hebben gehad. Het tegenovergestelde gebeurt. Talloze warlords die door Human Right Watch en Amnesty International van mensenrechtenschendingen worden verdacht, krijgen van de Amerikanen hun machtsposities terug. Rashid Dostum wordt zelfs het hoofd van het Afghaanse leger. Door de inval van de Amerikanen keert de wetteloosheid terug, evenals de onveiligheid voor veel Afghaanse vrouwen. In dezelfde tijd hinderen de Amerikaanse bombardementen overigens ook de winterse voedseltransporten van Oxfam en de Verenigde Naties aan de hongerende Afghanen.

Nog in september 2019 schreef de Afghaanse activiste en oud-minister Sima Samar dat de Amerikanen het lot van de Afghaanse vrouw hebben misbruikt om destijds in 2001 internationale steun te krijgen. Toen Samar zelf in 1998 een gesprek had met het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken over het miserabele leven van de vrouwen onder de Taliban, was haar verteld dat dat hoorde bij de Afghaanse cultuur.

Afgelopen augustus barstte de eerder genoemde activiste Mahbouba Seraj zowat in tranen uit, toen ze op de Indiase televisie werd bevraagd naar aanleiding van het Amerikaanse vertrek. Natuurlijk zijn de Taliban verschrikkelijk, zegt ze. Maar laat ons nu alsjeblieft met rust. Ga niet weer proxy-oorlogen voeren. ‘Laat ons in Gods naam gewoon leven. Wat hebben we verkeerd gedaan dan we dit verdienen? Ik begrijp het niet.’