Essay ‘Het verdovende landschap van Groningen’. Ik schreef het in opdracht van Stichting Tschumipaviljoen, naar aanleiding van het jubileumfeest Wonderful GROMM. Dit werd gevierd vanwege dertig jaar stadspaviljoens in de stad en provincie Groningen.

Met hun korte armen vol stroomkabels staan ze als kleine giganten in het vlakke landschap van Groningen: de witte elektriciteitsmasten die netbeheerde TenneT aan het bouwen is, van het hoogspanningspark aan de flank van de stad Groningen naar de Eemshaven.

Het Groningse landschap is altijd een landschap geweest van horizontale lijnen. Duizenden jaren spoelde hier het zoute water over een aanslibbend gebied en liet het zeekleilaag op zeekleilaag achter. Gestaag ontstond zo een grillig gevormde maar reusachtige kwelder die steeds langer droog bleef liggen en de blikken van de mensen begon te vangen. Die mensen ploeterden al tijden op hun schrale zandgronden en zagen een vruchtbaar kleigebied opdoemen uit het water, opgetild door een reuzenhand.

Ze begonnen wierden op te werpen, om te kunnen leven in dit hagelnieuwe waterland. Volgens de eerste eeuwse Romeinse historicus Plinius de Oudere ‘lijken zij op zeelieden in schepen als het water het omringende land bedekt, maar op schipbreukelingen als het getij zich heeft teruggetrokken.’ Ze leefden een amfibisch leven, waarin ze zich alleen konden redden als ze de getijden leerden te lezen. Of als ze de zee zouden kunnen insnoeren, en temmen als een opstandig dier.

Dijkenbouw

Daarom begon dit volk van schipbreukelingen dijken te bouwen, kwelders in te polderen en maakte het een begin met de moderne landbouwgronden. Toen in de late Middeleeuwen het klimaat kouder werd, rukte de zee nog verschillende keren met het schuim om zijn lippen aan de teugels, in het verlangen weer los te breken. Denk aan de Allerheiligenvloed, de Sint Maartensvloed en de Kerstvloed.

Maar de mensen wonnen het getijdengevecht en richtten Groningen in naar hun eigen verlangens. Dat betekende dat onze provincie vanaf vooral de negentiende eeuw veranderde in ‘een tijdbesparend landschap’, zoals de Groningse historicus Auke van der Woud dat noemt.

De boerenlanden werden herverkaveld tot grote, rechthoekige weilanden en akkers. De grond werd ontwaterd, zodat de zware landbouwmachines niet wegzakten. Ze trokken lange sloten en ontkronkelden de meanderende waterloopjes. Ze groeven loodrechte kanalen en dempten de moerasgebieden. Gedwongen door de marktwerking kozen de boeren ervoor nog maar een handvol gewassen te verbouwen, waaronder één soort snijmaïs en vooral ook hele weilanden vol met het snel groeiende en vaak te maaien Engelse maaigras. In de provincie werden nauwelijks bomen aangeplant, zoals wel in Drenthe. Het land moest strak blijven: altijd klaar om vrucht te dragen en bodemschatten prijs te geven.

Het landschap dat ons verdooft

In dat nuttig gemaakte landschap leven wij nu, aan het begin van de 21e eeuw. Door onze oogharen kunnen we het zeewater nog over de Groningse vlakten zien glijden, maar als we onze ogen openen zien we monochrome weilanden, grijze autowegen en de smalle, witte giganten van TenneT. Als oma’s breinaalden in een uitgestrekt, groen speldenkussen.

Zo langzaamaan is het Groningse landschap eruit komen te zien als de dagdroom van een ingenieur. Met computergestuurde sluizen wordt het waterpeil tot in detail geregeld om woning- en landbouw mogelijk te maken. Ondergronds suist het aardgas door honderden kilometers aan buizen. Over de bodem van de Noordzee lopen dikke stroomkabels van de kusten van Noorwegen en Denemarken naar de Eemshaven. De Eemshaven zelf ging in 1973 open aan een kort ervoor ingepolderde kwelder, en lokte als een rattenvanger van hamelen industriële blokkendozen en fabrieken naar het Oost-Groningse land. Bij Veendam wordt op vele honderden meters diepte zout gewonnen, in ondergrondse cavernes waarin de Eiffeltoren één tot zelfs twee keer zou passen.

De Waterstofrevolutie die de komende jaren in Groningen op stoom gaat komen, maakt dankbaar gebruik van dit nuttige landschap. In een aantal leeggepompte zoutcavernes bij Veendam kan de waterstof straks worden opgeslagen. Ten noorden van Schiermonnikoog wordt een windpark bijgebouwd dat vanaf 2026 700 megawatt extra aan stroom opwekt, waarna die energie via weer een zeekabel bij de Eemshaven aan land komt. Daarnaast werken bedrijven als Shell en Gasunie aan een nog veel groter windpark noordelijk van de Eemshaven, dat in 2030 drie tot vier gigawatt opwekt. In de haven wordt die stroom gebruikt voor de elektrolyse van water, om op die manier duurzame waterstof te produceren. Ook de nieuwe masten van TenneT zijn bedoeld voor het vervoer van al die windenergie.

Maar ondertussen rijst een gewetensvraag: verandert het Groningse landschap door deze ‘ingenieursgeest’ niet in een ‘anesthetisch’ landschap? In een technische omgeving dat de zintuigen verdooft van de mensen die er leven? Die bewoners kunnen in de avond nog hun hoofd in de nek werpen en kijken naar de ontzagwekkende sterrenhemel, voor zover die niet doorgeprikt wordt door de silhouetten van de elektriciteitsmasten, maar als ze bij daglicht om zich heen kijken, kunnen ze het gevoel krijgen dat ze wonen in een opgeruimde bureaula.

Mensen worden niet alleen gelukkig van nuttigheid, maar ook van schoonheid, van behaaglijkheid, van iets wat het oog streelt.

Wakker schudden

Het was in 1990, in een tijd dat een telefoon nog thuis aan de muur hing of in de woonkamer stond, dat de kunstmanifestatie What a Wonderful World in de stad Groningen plaatsvond. De reden was het 950-jarig bestaan van Groningen, maar had ook te maken met een samenwerking tussen het Groninger Museum en de ruimtelijke dienst van de gemeente. Zij zaten al langere tijd bij elkaar om tafel, aangezien ze werkten aan een bouwproject dat de aanblik van de stad vanaf 1994 flink zou veranderen: de bouw van een veelkleurig, postmodern museum, pal in het kanaal tussen het stadscentrum en het centraal treinstation.

De kunstmanifestatie bestond uit de bouw van vijf paviljoens, die officieel bedoeld waren voor de tijdelijke vertoning van videoclips. Maar stiekem hadden ze de bedoeling, net als het nieuwe Groninger Museum zelf, om de ingedutte stadsbouw van Groningen wakker te schudden. Juist door het exuberante ontwerp van de paviljoens, ontsproten aan de dwarse creativiteit van architecten als Rem Koolhaas, Bernard Tschumi en Zaha Hadid, werd de bestaande stadbouw ‘in vraag gesteld’.

Het schuinstaande Tschumipaviljoen op het Hereplein in de stad Groningen staat dertig jaar na dato nog op dezelfde plek, evenals de merkwaardige bushalte van Rem Koolhaas op het Emmaplein even verderop. Ze zijn tot het meubilair van de stad gaan behoren, waardoor ze wel wat zijn verloren hun eerdere tegendraadsheid. Een ander paviljoen, ontworpen door Peter Eisenman, moest afgebroken worden.

Het intrigerendste is wat er gebeurde met de twee laatste paviljoens. Door Groningen Seaports, het faciliteitsbedrijf van de Eemshaven, werden ze overgenomen en verhuisd naar een omgeving waarin hun vervreemdende kracht groter is geworden dan ooit. Het paviljoen van Zaha Hadid werd verplaatst naar een bedrijventerrein bij Appingedam, en het paviljoen van Coop Himmelblau naar de industriekant van Delfzijl.

Nog steeds doen de paviljoens daar hun werk. Door hun esthetische weelderigheid provoceren ze de hoogtechnologische omgeving waarin ze als verweesde koekoeksjongen terecht zijn gekomen. Het paviljoen van Coop Himmelblau lijkt als een bruinmetalen sprinkhaan over de zeedijk te willen springen, alsof het zich nog maar net weet in te houden.

Beide paviljoens staan in een ‘anesthetische’ omgeving, waarin de zintuigen van de mensen eerder worden verdoofd dan wakker gekust. Een hoogtechnologische omgeving kan ‘anesthesie’ plegen op de zintuiglijke gevoeligheid van mensen. De paviljoens leggen dat proces bloot, doordat ze zelf explosies zijn van het tegendeel, namelijk van ‘esthetiek’. Esthetiek is de kunde van de sensatie, het gevoel, de emotie, de menselijkheid.

Loodsen praten niet

Een typisch kenmerk van een industriële omgeving of een bedrijventerrein is het ontbreken van ‘zeggingskracht’. Létterlijk. Een loods wil ons niks zeggen, net zoals een elektriciteitsmast dat niet wil. Hetzelfde geldt voor een fabrieksschoorsteen, of een asfaltweg. Die loods, mast, schoorsteen en weg denken alleen maar: ‘Laat me met rust. Mijn enige taak is: nuttig zijn. Vorm is functie. Het menselijke gevoelsleven is mij een zorg. Ga weg met je expressie, kleurenspel en sierlijkheid. Mijn ontwerp is economisch, mijn inborst is calvinistisch en mijn geloofsovertuiging is ora et labora.’

De paviljoens willen ons wel veel zeggen. Namelijk, dat een mens niet kan leven in een landschap dat vooral verdooft. Toch is hun protest maar zwak. Het paviljoen van Coop Himmelblau, tegenover het hoofdkantoor van Groningen Seaports, doet alles om op te vallen maar wordt elke dag zonder opmerken door automobilisten gepasseerd.

Nog het meest tragisch is de situatie van het paviljoen van de geprezen Brits-Iraakse architect Zaha Hadid. Op het Fivelpoort-bedrijventerrein bij Appingedam is het op een asfaltplaatsje gezet, door een donker hekwerk afgesloten van de buitenwereld. Het was uitgerekend de bedoeling van Hadid dat het paviljoen een interactie met mensen aanging. Bij het ontwerp dacht ze aan Amerikaanse strandhuizen waarvan de bovenverdieping uit grote glazen ramen bestaat, zodat de bewoners over de oceaan kunnen uitkijken. Het paviljoen is daarom open gewerkt, zodat de mensen erin onderdeel worden van de theatrale en dwarse uitstraling van het gebouw en de nieuwsgierigheid van passanten kietelen.

Die speelsheid is nu getemd. Het paviljoen wordt gedoogd. Het mág zijn kleine protest tegen het anesthetische landschap laten zien, maar wel op een plek waar niemand komt. Daar staat het paviljoen dus. Verstild.

Architect Zaha Hadid zelf overleed in 2016. Achter dat Appingedamse hek bevindt zich nog dat kleine gebouw dat ruim dertig jaar geleden uit haar creatieve brein werd geboren. Het paviljoen heeft haar bedenker overleefd, in een hardnekkige poging ons ervan te overtuigen dat we als mensen zintuiglijke mensen zijn met een verlangen naar: esthetiek.